Home -> Editors Desk -> Tuning AutoCAD
Tuning AutoCAD
Refererend aan uw tekening...
Door Gerard IJzermans
Eén van de methodes om bij het werken met AutoCAD de efficiency en nauwkeurigheid te vergroten, is het toepassen van externe referenties, xref's. Met een xref wordt in een AutoCAD-tekening een andere tekening ingevoegd, enigszins vergelijkbaar met een blok. Net als een blok vormt een xref in de tekening één object. Maar eenmaal ingevoegd in de tekening bestaan er toch grote verschillen tussen beide objecten en hun toepassingen.
Xref is een acroniem van ‘external reference'. Met deze aanduiding wordt aangegeven dat een koppeling wordt gemaakt met een tekening buiten de actuele tekening. Van de referentietekening wordt als het ware een dia in de actuele tekening geprojecteerd die zich daarin als één object manifesteert. Onvermijdelijk dringt zich hier de vergelijking op met een blok dat zich in de tekening ook als één object gedraagt. Omdat AutoCAD ook een externe tekening kan binnenhalen en als blokdefinitie aan de actuele tekening toevoegen, kunnen we niet om een vergelijking tussen beide objecten heen.
Blok versus xref
Een blok is een verzameling objecten die zijn samengevoegd tot één object. Ook een externe tekening die met het commando ‘insert' als blok wordt binnengehaald, nestelt zich als blokdefinitie in de actuele tekening. Een tekening bevat van elk blok slechts één definitie, ook als een blok meerdere keren in de tekening is ingevoegd. Elke invoeging van een blok voegt, ongeacht de grootte van het blok, maar een paar honderd bytes toe aan de tekening om naar de blokdefinitie te verwijzen. Een ander voordeel van het gebruik van blokken is dat als de blokdefinitie wordt gewijzigd, deze in alle invoegingen in de tekening automatisch wordt bijgewerkt.
Toch kent het gebruik van als blok ingevoegde externe tekeningen twee belangrijke nadelen. Zo groeit elk tekeningbestand dat zo'n blok bevat met de grootte van de ingevoegde tekening. Bijvoorbeeld in een project met honderd tekeningen, die elk een kopie van bijvoorbeeld een bedrijfslogo bevatten van 100 kB, betekent dit dat er op de harde schijf honderd keer hetzelfde logo staat van 100 kB. Oftewel 10 MB aan dezelfde informatie, die misschien nog wel een groot aantal keren meer voorkomt op dezelfde schijf. Een tweede nadeel is dat als de originele tekening van het blok wordt gewijzigd, deze wijzigingen ook in alle tekeningen moeten worden doorgevoerd waarin deze externe tekening als blok is toegepast. Dit kan bijvoorbeeld door de gewijzigde externe tekening in alle tekeningen waarin deze is toegepast opnieuw als blok in te voegen.
Door de externe tekening als xref naar binnen te halen, worden beide problemen ondervangen. In tegenstelling tot een blok waarvan elke tekening waarin het is toegepast een blokdefinitie bevat, wordt van een xref alleen de naam van de referentietekening met wat aanvullende gegevens opgeslagen. Elke tekening die xref's bevat neemt in grootte slechts een paar honderd bytes toe per xref-definitie. Ons voorbeeld met honderd tekeningen verbruikt dus maar ongeveer 20 kB om naar het enkele tekeningbestand van het logo van 100 kB te verwijzen. Omgekeerd kan een tekening die uit twintig xref's is samengesteld als een bestand van slechts 200 kB te boek staan, maar gemakkelijk refereren naar tekeningen van tientallen Megabytes of meer. Verder wordt de xref, telkens als de actuele tekening wordt geopend, automatisch geladen. Dit betekent per definitie dat altijd de meest recente versie van de referentietekening wordt geladen.
Om de vraag te kunnen beantwoorden wat het beste kan worden toegepast, een blok of een xref, zijn dus twee factoren bepalend: het aantal tekeningen waarin de externe tekening moet worden toegepast en de kans op wijzigingen van de in te voegen tekening. De belangrijkste factor hierbij is de kans op wijzigen van de externe tekening. Indien die kans bestaat, dan is het praktisch om een xref toe te passen. Xref's hebben ook de voorkeur als de externe tekening in een groot aantal tekeningen moet worden toegepast. Een ander belangrijk aspect is de aanwezigheid van attributen in de externe tekening. Van deze praktische voorziening kan alleen gebruik worden gemaakt als de externe tekening als blok wordt ingevoegd. Xref's moeten het gebruik van attributen ontberen. Eventuele attribuutdefinities in de externe tekening worden in de xref-afbeelding genegeerd.
Xref invoegen
Zoals gebruikelijk kan het commando om een xref in te voegen op verschillende manieren worden geactiveerd. Het officiële commando is ‘xattach' dat onder meer via de button ‘DWG' in het paneel ‘Reference' van de ribbon ‘Block & References' geactiveerd kan worden, zie afbeelding 1.
![]() Afbeelding 1: Commando ‘xattach’ activeren. |
Invoegen van een xref. |
Als eerste moet dan in het dialoogvenster ‘Select Reference File' de tekening worden geselecteerd die de referentie gaat vormen. Vervolgens verschijnt het dialoogvenster ‘External Reference' zoals afgebeeld in afbeelding 2. Op het eerste gezicht vertoont deze veel overeenkomst met het dialoogvenster waarmee een blok wordt ingevoegd. De onderdelen ‘Name', ‘Insertion point', ‘Scale' en ‘Rotation' zijn volkomen identiek. De regels ‘Found in:' en ‘Saved path:' en de keuzes ‘Reference type' en ‘Path type' zijn typisch voor een xref.
In de regel ‘Found in:' is het pad aangegeven waar de xref is gevonden. De regel ‘Saved path:' vermeldt de padverwijzing zoals die bij de xref wordt opgeslagen. Dit wordt bepaald met de keuze voor ‘Path type' en is, zoals afbeelding 2 laat zien, een absoluut pad als het type ‘Full path' is geselecteerd. Dit is de veiligste keuze, zolang de referentietekening niet wordt verplaatst of een andere naam krijgt. Bij de keuze ‘Relative path' als pad type wordt het pad ten opzichte van de actuele tekening bewaard. Deze keuze kan veilig worden toegepast als de referentietekening zich in dezelfde tak bevindt als deactuele tekening en deze configuratie intact kan worden gehouden.
De derde keuzemogelijkheid is het pad type ‘No path'. Hierbij wordt alleen de tekeningnaam van de referentietekening bewaard. AutoCAD zoekt dan de referentietekening op naam in de zoekpaden zoals die in ‘Options' zijn opgegeven. Een probleem hierbij is dat AutoCAD het eerste bestand gebruikt dat het vindt met de overeenkomstige naam, wat niet het originele bestand hoeft te zijn. Algemene bestandsnamen zoals ‘Kader' of ‘Titelblok' kunnen dan gemakkelijk tot problemen leiden. Voor het ‘Reference type' kan een keuze worden gemaakt uit een ‘Attachment' of een ‘Overlay'. Voor de tekening waarin de xref wordt geladen, maakt het geen verschil of het type xref een attachment of een overlay is. Pas als de tekening met een xref op haar beurt weer als xref wordt geladen wordt het verschil tussen attachment en overlay duidelijk. De xref in de xref, oftewel een geneste xref, is alleen zichtbaar als het een attachment is. Een overlay is alleen maar zichtbaar op het eerste xref-niveau. In een geneste xref wordt een overlay niet meer afgebeeld.
![]() Waarschuwing voor nieuwe layers in de tekening. |
Unreconciled Nex Layers’ in de Layer Properties Manager. |
Xref-layers
Als in een tekening een xref wordt ingevoegd, worden aan de tekening ook nieuwe layers toegevoegd die corresponderen met de layers van de referentietekening. De layers van de xref worden met een eigen aanduiding in het layer-bestand van de actuele tekening opgenomen.
De aanduiding heeft het formaat ‘xref-naam|layernaam' waardoor een namenconflict tussen tekening-layers en xref-layers wordt vermeden. Dit geldt niet voor de layers ‘0' en ‘Defpoints'. De eventuele inhoud hiervan wordt rechtstreeks op layer ‘0' respectievelijk ‘Defpoints' van de actuele tekening geprojecteerd. Afhankelijk van de layer settings worden de nieuwe layers in eerste instantie afzonderlijk vermeld in de ‘Layer Properties Manager'. Rechtsonder op de statusregel verschijnt een melding dat de inhoud van de met de xref toegevoegde layers nog niet in overeenstemming zijn gebracht met de bestaande layers, zie afbeelding 3.
Ofschoon de met de xref toegevoegde layers in de ‘Layer Properties Manager' ook in de tak ‘All Used Layers' zijn vermeld, vinden we deze ook terug in de tak ‘Unreconciled New Layers', zie afbeelding 4. Dit is vooral praktisch als de xref layers aan een grote groep tekening-layers worden toegevoegd. Aan de layers die we eventueel met een aparte ‘On/Off'-, ‘Freeze/Thaw'- of ‘Lock/Unlock'-status aan de tekening willen koppelen, is deze instelling gemakkelijker te maken vooraleer ze ‘in overeenstemming' te brengen met de bestaande layers. De ‘unreconciled' status van de xref layers kan eenvoudig worden opgeheven door de layers met de rechter muistoets aan te klikken en de optie ‘Reconcile Layer' te selecteren. Als alle nieuwe layers dit proces hebben doorlopen, verdwijnt de tak ‘Unreconciled New Layers' uit het venster.
Bij het koppelen van een xref aan de actuele tekening worden de eigenschappen van de xref layers, zoals kleur, lijntype enzovoort door de actuele tekening overgenomen. In de actuele tekening nemen de eigenschappen van de objecten die in de referentietekening met de kwalificatie ‘bylayer' op layer 0 zijn geplaatst, de eigenschappen over van de actuele layer.
Afbeelding 5: Xref Manager Openen Afbeelding 6: Xref Manager
Xref manager


Zodra aan een tekening een xref wordt gekoppeld verschijnt in de statusregel de button ‘Manage Xrefs', zie afbeelding 5. Hiermee kan de ‘Xref Manager' worden geopend waarmee xref's in de tekening kunnen worden beheerd. De Xref Manager verschijnt in de vorm van een toolpalet op het scherm, zie afbeelding 6. Dit betekent dat het tijdens het werken actief op het scherm kan blijven staan. In de titelbalk kan via het rechtermuistoetsmenu de ‘auto-hide' optie worden ingeschakeld, zodat het automatisch opent en sluit als de cursor eroverheen wordt bewogen. Het bovenste gedeelte van de Xref Manager kan naar keuze een lijst of een boomstructuur laten zien van de tekening en de daaraan gekoppelde xref's. In het onderste gedeelte, het venster ‘Details', zijn de eigenschappen te zien van het in het venster ‘File References' geselecteerde bestand. Vanuit de Xref Manager kunnen via de button ‘Attach DWG', linksboven in het paneel, nieuwe xref's aan de tekening worden toegevoegd. In het venster ‘File References' kan de koppeling van een geselecteerde xref met de tekening ongedaan worden gemaakt via de optie ‘Detach' in het rechtermuistoetsmenu. Dit menu biedt ook opties voor onder meer de geselecteerde referentietekening te openen (‘Open') of de koppeling in en uit te schakelen (‘Reload' en ‘Unload'). In het venster ‘Details' kan ook een beperkt aantal aanpassingen worden gemaakt voor xref's op het eerste niveau, dus niet voor geneste xref's. Zo kan aan de xref een andere naam worden toegekend. Dit is vooral praktisch als een xref meerdere keren in dezelfde tekening wordt toegepast. Aan elke toepassing kan dan een andere naam worden toegekend, terwijl hun paden toch naar de referentietekening met originele naam wijzen.
Xref binden
In het venster ‘File References' van de Xref Manager biedt het rechtermuismenu ook een optie ‘Bind...'. Hiermee kunnen geselecteerde xref's permanent in de tekening worden gehecht. Deze methode is vooral bedoeld voor het opslaan van tekeningen van voltooide en afgesloten projecten. Bewaren van tekeningen met de referentietekeningen heeft als bezwaar dat deze altijd bij elkaar moeten blijven. Met ‘Bind' kan een xref als het ware worden omgevormd tot een blok in de tekening. Hierbij wordt de levende link tussen de tekening en de referentietekening onomkeerbaar verbroken. De xref's die met Bind in de tekening worden gehecht verdwijnen daardoor uit de lijst met xref's in de Xref Manager. Na de ‘Bind'-opdracht moet een keuze worden gemaakt voor het type ‘Bind', dit kan een ‘Bind' zijn of een ‘Insert'. Bij de keuze voor een ‘Bind' blijft de verwijzing naar de oorspronkelijke referentietekening in de layer-namen behouden. Om onderscheid te maken tussen een echte xref en een ‘Binded xref' wordt in de layer-namen van de ‘Binded' xref's de verticale lijn tussen tekeningnaam en layer-naam vervangen door ‘$n$' waarin een volgnummer aangeeft voor xref's waarin eenzelfde layer-naam voorkomt. In ons voorbeeld van afbeelding 4 zou bijvoorbeeld ‘Titelblok|Titeldata' worden omgezet in ‘Titelblok$0$Titeldata'. Bij de keuze voor het Bind type ‘Insert' wordt de xref geconverteerd in een echt blok. Elke verwijzing in de layer-namen naar de oorspronkelijke referentietekening gaat hierbij verloren. De layers van het nieuwe blok krijgen de namen uit de oorspronkelijke tekening en verschijnen met die naam ook in de layer-lijst. Als in de ‘host' tekening een zelfde layer-naam wordt gebruikt, neemt de layer in het blok de eigenschappen van de layer in de ‘host' tekening over. Xref binden kan ook goed worden toegepast als een tekening moet worden doorgegeven voor bijvoorbeeld beoordeling of controle. De ontvanger wordt dan niet met allerhande referentietekeningen opgezadeld.
Tot slot kan in AutoCAD in het uitgebreide ‘Reference' paneel van de ribbon via ‘Clip DWG' het commando ‘Xclip' worden geactiveerd waarmee een gedeelte van een xref kan worden onderdrukt. In de tekening kan in de xref een begrenzing (‘boundary') worden aangegeven. De delen van de referentietekening die buiten de begrenzing vallen, worden dan niet afgebeeld in de xref.
Gerard IJzermans is freelance redacteur voor CAD-Magazine. Voor eventuele vragen of opmerkingen is de auteur bereikbaar per e-mail: g.w.ijzermans@gmail.com. Voor meer informatie over dit onderwerp zie: www.autodesk.nl.
















