Home -> Editors Desk -> Kleine zaken die het werken versnellen
AutoCAD 2010
Kleine zaken die het werken versnellen
Door Jean-Pierre van Gastel
In dit artikel komt nog een aantal handige tips en tricks aan de orde die het werken met AutoCAD weer wat sneller maken. Op het moment van dit schrijven zijn er al een paar kleine belangrijke ‘hotfixes’ te downloaden voor AutoCAD 2010 vanaf de Autodesk-website.
| Alle in dit artikel genoemde eigenschappen van en mogelijkheden in AutoCAD 2010, met uitzondering van de paragraaf over ‘Sheet Sets’, gelden ook voor AutoCAD LT 2010. |
Eén van de meest gestelde AutoCAD-vragen heeft te maken met het roteren van viewports. Het was immers zo dat zodra de gebruiker een viewport op een lay-out roteerde, de tekening niet mee draaide. Via het aanmaken van een nieuwe UCS en door vervolgens het commando ‘Plan’ te gebruiken, was het erg omslachtig om een tekening per viewport te draaien, maar het was wel de enige juiste wijze. AutoCAD 2010 doet echter wat men voorheen al zou verwachten. De nieuwe systeemvariabele vprotateassoc staat namelijk standaard op de waarde ‘1’, waardoor de tekening automatisch mee draait zodra de gebruiker een viewport gaat roteren, zie afbeelding 1. Ook bij het openen van ‘oude’ tekeningen staat de variabele overigens goed ingesteld, en mocht dit niet het geval zijn, dan is dit nog altijd handmatig aan te passen.

Afbeelding 1.
Geografische locatie
Het werken met referentiebestanden wordt in AutoCAD ook met elke versie eenvoudiger. Tekeningen die geografische informatie bevatten, kunnen relatief geplaatst worden ten opzichte van elkaar, met de nieuwe optie ‘Locate using Geographic Data’ in het ‘Attach External Reference’-dialoogvenster. Overigens, het toekennen van deze data kan geschieden door het importeren van een KML- of KMZ-bestand, het opzoeken van een locatie in Google Earth of het handmatig instellen via een dialoogvenster, zie afbeelding 2.

Afbeelding 2.
Het ‘Reference Panel’ op het ‘Insert’-tabblad biedt alle mogelijkheden aan voor het werken met referentiebestanden. Met behulp van de knop ‘Attach’ zijn zowel rasterbestanden, DWF-bestanden, PDF-bestanden, DGN-bestanden als DWG-bestanden te koppelen aan een tekening. Daarnaast zijn hier centraal de mogelijkheden terug te vinden om een referentiebestand uit te snijden (‘Clip’), te laten vervagen (‘Fade’), het contrast en helderheid aan te passen van een rasterbestand enzovoorts. Zodra de gebruiker een geplaatst referentiebestand in een tekening selecteert, verandert de ribbon automatisch weer in een zogenaamde ‘Contextual Tab’, waarin alle mogelijkheden worden aangeboden die te gebruiken zijn op de actieve selectie. Zodra de gebruiker het ‘Clip’-commando toepast, komen ook hier weer nieuwe mogelijkheden naar boven drijven.
Met behulp van diverse grips kan het kader van het geclipte deel worden aangepast en met een extra pijltje kan de gebruiker direct het geclipte deel omkeren. Elk referentieobject dat geclipt is heeft een kader om het geclipte deel, het zogenaamde ‘Frame’ dat standaard echter uit staat. Zo zijn er drie systeemvariabelen (dwfframe, dgnframe en pdfframe) die bepalen of het ‘Frame’ zichtbaar is of niet. Met de nieuwe ‘Frame’-systeemvariabele kan de gebruiker in één keer alle ‘Frames’ aanpassen van alle objecten die geclipt zijn. ‘Frames’ kunnen aan- of uitgezet worden, weergegeven en geprint worden of weergegeven maar niet geprint worden. Overigens zijn deze opties ook heel goed zichtbaar in het ‘References Panel’ in de ‘Insert Ribbon’-tab.

Afbeelding 3.
Een soortgelijk systeem bestaat ook voor het gebruik van de verschillende ‘Object Snap’-mogelijkheden op referentiebestanden. Zo waren er al de systeemvariabelen dwfosnap, dgnosnap en pdfosnap voor respectievelijk DWF-, DGN- en PDF-onderleggers. Door gebruik te maken van de nieuwe systeemvariabele uosnap kan de gebruiker in één keer alle drie eerder genoemde systeemvariabelen beïnvloeden. Naast deze nieuwe systeemvariabele, zijn deze instellingen ook terug te vinden in het ‘References Panel’ in de ‘Insert’-tab. De laatste nieuwe maar praktische optie komt de gebruiker tegen zodra er een tekening wordt geopend waarin een referentiebestand ontbreekt. Een duidelijk nieuw dialoogvenster geeft aan dat er bepaalde referentiebestanden niet gevonden kunnen worden en wat de gebruiker hier vervolgens mee wil doen, zie afbeelding 3. Simpelweg kan hij de melding negeren of de optie ‘Update’ gebruiken, waardoor automatisch het ‘External References Palette’ wordt geopend waarin hij vervolgens de paden kan aanpassen.

Afbeelding 4.
Sheet Sets
Bij het woord ‘Sheet Sets’ komt altijd weer de vraag naar boven, wie dat überhaupt gebruikt in AutoCAD. Toch blijft Autodesk vrolijk verder ontwikkelen in misschien wel de minst gebruikte functie in AutoCAD. In het ‘Sheet’-rechtermuisknopmenu is er bijvoorbeeld een optie toegevoegd, waarmee bepaald kan worden of een ‘Sheet’ al dan niet afgedrukt mag worden zodra de gebruiker het ‘Publish’-commando gaat gebruiken. Met het nieuwe ‘Publish Sheets’-dialoogvenster kan hij zelfs voor een hele reeks met ‘Sheets’ bepalen of deze afgedrukt mogen worden tijdens het ‘Publish’-commando, zie afbeelding 4.
Daarnaast is het ‘Subset Properties’-dialoogvenster aangepast, zodat het dezelfde ‘look and feel’ heeft als het ‘Sheet Set Properties’- en ‘Sheet Properties’-dialoogvenster. De ‘Sheet List Table’-functie heeft ook weer tal van nieuwe mogelijkheden en is daarmee meer flexibel geworden dan ooit te voren. Naast het aanmaken van een ‘Sheet List Table’ voor een hele ‘Sheet Set’ kan er ook een tabel gemaakt worden voor individuele subsets of individuele ‘sheets’. Deze nieuwe mogelijkheden zijn terug te vinden in het rechtermuisknopmenu van de ‘Sheet List Table’. In het nieuwe tabblad ‘Subsets and Sheets’ kan de gebruiker eenvoudigweg aanvinken welke ‘Subsets’ en ‘Sheets’ meegenomen moeten worden in de ‘Sheet List Table’.

Afbeelding 5.
Details
Er zijn een hoop details terug te vinden, die verbeterd zijn in AutoCAD 2010. Zo heeft bijvoorbeeld de ‘Quick View Drawings’ en ‘Quick View Layouts’ een voorbeeldweergave van de ‘Modelspace’ naast de al bestaande lay-out weergave. Het ‘E-Transmit’-dialoogvenster heeft een nieuwe, zeer praktische optie om niet geladen referentiebestanden toch mee te nemen in de ‘Transmittal’. Dit dient overigens wel aangezet te worden in de ‘Transmittal Setup’.
Het afdrukken van een tekening naar een PDF-bestand is verbeterd. (In het artikel ‘Van DWG naar PDF’ in dit nummer vanaf pagina 60, staat hierover meer.) De standaard vectorresolutie is verhoogd van 400 dpi naar 600 dpi. Daarnaast worden ‘TrueType’-fonts weggeschreven als tekst en niet meer als grafische objecten. In de ‘DWG to PDF’-plotterconfiguratie, kan de gebruiker daarnaast nog instellen of de lageninformatie van de tekening opgeslagen mag worden in het PDF-bestand en hoe objecten worden samengevoegd (‘Merge Control’). Met het nieuwe ‘DWF/PDF Panel’ op de ‘Output Ribbon’ is het publiceren naar een PDF-bestand enorm eenvoudig geworden. Vanuit hier kan de gebruiker namelijk kiezen om alle PDF-instellingen aan te passen of intact te laten, zie afbeelding 5.
In het volgende artikel zal ik verder ingaan op het printen in 3D, werken met PDF-bestanden als onderlegger en tal van andere interessante zaken.
Jean-Pierre van Gastel jean-pierre.van.gastel@pollux.nl is freelance redacteur voor CAD-Magazine. Voor dit onderwerp zie ook: www.autodesk.nl.












