 Doelschaal 1:1. |
Arkey
Verwijzen met referentieviews
Door Kees Veth
Voor de opmaak van plottekeningen worden in Arkey referentieviews gebruikt. Een referentieview is een venster binnen een tekening met daarin een verwijzing naar de modeltekening waarbij schaal, uitsnede en viewparameters worden opgeslagen.
Het loskoppelen van model en tekening is methodisch van groot belang. Op deze manier kan alle informatie in het model tijdens het bewerken geschakeld worden, zonder dat hiermee de uitvoer beïnvloed wordt. De beslissing om alle informatie zoals bijvoorbeeld installaties en systeemplafonds direct in het gebouwmodel op te nemen, ligt meer voor de hand. Bij plat tekenwerk zal er veel eerder voor worden gekozen om deze in afzonderlijke (referentie-)tekeningen te plaatsen.
Over het algemeen zal een plottekening in Arkey bestaan uit annotatie (kaders, stempels, noordpijl, schaalstok, onderschriften enzovoorts) en één of meer referentieviews naar het model. Om op het formaat van de tekening en de schaal van de referentieviews vat te houden, is het sterk aan te raden altijd uit te gaan van een tekening schaal 1 op 1.
Bij het maken van referentieviews zijn de volgende zaken aan de orde: schaal, uitsnede en plaatsingspunt; representatie (fase en correctiestijl); instellingen van lagen (wat is er wel of niet zichtbaar).
 Instelling grid en raster. |
Verder zijn er een paar minder bekende toepassingen van referentieviews zoals het stapelen van verschillende referentieviews over elkaar om door middel van kleuren visueel onderscheid te maken. Ook kunnen delen van een gebouw die schuin in het model staan verdraaid worden in de referentieview zodat ze recht staan in de tekening.
Maken van een plottekening
Uiteraard moet er eerst (de opzet van-) een modeltekening aanwezig zijn. Start een nieuwe tekening. Stel de parameters in voor een tekening die schaal 1 op 1 bewerkt en geprint moet worden. Plaats nu een kader en stempel. Dit kader moet schaal 1 op 1 getekend zijn, een A3 is dan ook precies 420 x 297mm.
In dit kader komen nu één of meer referentieviews. Kies het commando ‘Referentieview'. Kies de modeltekening waarnaar verwezen moet worden. In het volgende venster kunnen de parameters van de referentieview ingesteld worden. De schaal en overige parameters worden in eerste instantie overgenomen van de opgeslagen tekening. Plaats het nulpunt van de referentieview nu in tekening en bepaal daarna door het tekenen van een veelhoek (versie 7) de uitsnede. Het nulpunt wordt in eerste instantie bepaald door het middelpunt beeldscherm van de opgeslagen tekening.
 Referentieview parameters. |
TIP: Sla de modeltekening eerst op met de juiste parameters en het gewenste nulpunt op het middelpunt van het beeldscherm.
De parameters zijn achteraf aanpasbaar door de referentieview te selecteren en daarna functietoets F2 (Type: Ref.view).
Het nulpunt van de referentieview kan de gebruiker verleggen met de optie ‘Uitsnede instellen'. Hij komt terecht in de modeltekening en kan door middel van verschuiven en het commando ‘Fragment' het gewenste nulpunt in het midden van zijn beeldscherm leggen. De gebruiker dient daarbij op te letten dat hij daarbij niet per ongeluk de schermschaal aanpast. Daarna gaat hij terug naar de plottekening met de knop ‘-> Ref.View' in de onderbalk. Het nulpunt is van belang voor het uitlijnen van de verschillende referentieviews ten opzichte van elkaar.
Stapelen van referentieviews
Door dezelfde referentieviews met verschillende instellingen op elkaar te stapelen, kunnen onderdelen in tekening onderdrukt dan wel geaccentueerd worden. Als voorbeeld geef ik een tekening van de elektra waaronder de bouwkundige plattegrond in rood wordt weergegeven.
Plaats de plattegrond als referentieview. Maak een kopie van deze referentieview op dezelfde plaats. Stel nu de ene referentieview door middel van lagen zo in dat alleen de elektra zichtbaar blijft (alle SfB-lagen ‘uit' met uitzondering van de lagen 60 t/m 69). Doe precies het tegenovergestelde met de andere referentieview (alle SfB-lagen ‘aan' met uitzondering van 60 t/m 69). Wat overblijft, is de bouwkundige plattegrond. Deze kan vervolgens in rode lijnen getekend worden door het toepassen van een correctiestijl in rood met dunne lijnen.
|
 Plaatsing en resultaat van referentieview.
|
 Correctiestijl in rood. |
Verdraaien inhoud van referentieview
Om onderdelen van het gebouw die schuin in het model staan toch goed op de print te krijgen, is het vaak nodig om deze te verdraaien in de referentieview. De gebruiker gaat als volgt te werk: selecteert de referentieview; gaat naar functietoets 2 (Type: Ref.view); kies de functie ‘Uitsnede instellen'. De gebruiker komt terecht in de modeltekening. Hij kiest nu het commando ‘Verdraaien' uit het ‘View'-menu. Stelt de tekening zo in dat deze juist komt te liggen in de plottekening. Hij bepaalt zo nodig opnieuw het nulpunt door met het commando ‘Fragment' het middelpunt op een bekend punt te leggen. Gaat terug naar de plottekening de knop ‘-> Ref.View' in de onderbalk.
 Stapelen van referentieviews. |
Het toepassen van referentieviews is methodisch van groot belang omdat hiermee de scheiding tussen model en tekening lay-out gemaakt wordt. Het model blijft hierdoor onaangetast en is steeds goed bewerkbaar, terwijl de verschillende tekeningen die van dit model gemaakt worden in de verschillende fasen of met een specifiek doel constant up-to-date blijven in de gekozen lay-out.
 Verdraaien van referentieviews. |
Kees Veth keesveth@vmv-cad.nl is oprichter en directeur van VMV cad-adviseurs en schrijft voor CAD-Magazine. Meer over dit onderwerp is te vinden op www.vmv-cad.nl en www.arkey.nl.